Dit stuk gaat over een gevoelig onderwerp. Het zegenen in de kerk van relaties van liefde en trouw, anders dan die van man en vrouw. Of, zoals dat ook wel genoemd wordt: het homohuwelijk. De kerkorde van de Protestantse Kerk biedt daar ruimte toe, maar elke gemeente moet daar zelf zijn eigen keuze in maken. Dat wil zeggen: de kerkenraad van elke gemeente, ‘gehoord hebbende de gemeente’. Dit stuk is geschreven ter voorbereiding van een gemeenteavond over dit onderwerp in mijn gemeente. Vervolgens heeft de kerkenraad positief besloten. Misschien kunnen ook andere gemeentes met dit artikel hun voordeel doen.
Over homoseksualiteit is door de jaren heen al veel gezegd en geschreven, vele jaren lang. Het is een gevoelig onderwerp met diverse aspecten. Zo is daar sowieso al het punt dat wie ‘gewoon’ heteroseksueel is, zich niet of moeilijk kan voorstellen dat dat voor andere mensen anders kunnen zijn. Dit werpt een emotionele barrière op, vaak onbesproken, maar in de diepte van het bewustzijn voorzien van een behoorlijke kracht. Op zijn sterkst komt dit gevoel naar voren in de vorm van wat walging mag worden genoemd. Die versterkt is door de onverholen negativiteit, waarmee vaak gesproken is over ‘van de verkeerde kant zijn’. Het woord ‘homo’ functioneert nog tot op de dag van vandaag als scheldwoord op scholen.
Als we in de kerk over dit onderwerp denken en spreken, dan telt daarbij onze traditie zwaar. En, dat is duidelijk, homoseksualiteit is altijd gezien als zonde. ‘Man en vrouw’ heeft God de mens geschapen, en niet ‘man en man’ of ‘vrouw en vrouw’. In de kerk baseren we ons op de bijbel. Weliswaar realiseren we ons dat deze is ontstaan op een bepaalde plaats in een bepaalde tijd, en dat niet alles wat erin staat zonder meer kan worden toegepast op onze tijd. Maar daarop baseren we ons, en in geval van twijfel vinden we een toetssteen in de grote rode draad, die de bijbel kent: de liefde. Met de woorden ‘heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf’ heeft Jezus de wet en de profeten samengevat. Verder onderscheiden we tussen hoofd- en bijzaken. Zo nemen we, in elk geval in onze kring, Paulus’ woord over het ‘hoofddeksel der vrouw’ voor kennisgeving aan, en doen daar niets mee. En als het gaat om een ander woord van deze grote apostel, ‘vrouwen, weest uw man onderdanig’, daarbij behouden wij ons het recht voor daar op een eigentijdse manier tegenaan te kijken.
Want, inderdaad, wij leven in een geheel andere tijd. Niet alleen ten opzichte van de tijd van de bijbel, trouwens. Onze wereld is ook ten opzichte van bijvoorbeeld de tijd van Kuyper geweldig veranderd. En ten opzichte van de wereld van pak ‘m beet 1980 ook. Buiten en binnen de kerk. Neem het samenwonen van ongehuwden. Zo lang is dat nog niet geleden dat dit in de ogen van velen beslist niet kon. Nu weet ik zo al uit mijn hoofd een heel aantal ongehuwd samenwonende predikanten! En waar met name veel oude mensen moeite hebben of hadden met ‘hokken’, moeten velen van hen vaststellen dat hun eigen kleinkinderen op deze wijze samenleven… en dat die het als partners gewoon goed hebben met elkaar. Dat samenwonenden in elk geval niet speciaal vaker uit elkaar gaan dan gehuwden. Want inderdaad, dat is wel moeilijk, er loopt meer dan vroeger bepaald wel eens een liefdesrelatie op de klippen.
Maar nu, homoseksualiteit. Seksualiteit is op zichzelf al een beladen onderwerp. En dan homoseksualiteit. Is de bijbel daarover niet bijzonder duidelijk? En kun je dat afdoen met ‘tijd- en plaatsgebonden’? Of ben je in directe zin ongehoorzaam aan de wil van God als je de afkeuring daarvan laat varen? En wel helemaal als je daarvoor ook nog in de kerk Gods zegen gaat vragen. Waarbij wat we in zo’n geval doen bovendien nog een graadje steviger is. Want vragen om een zegen, dat kan ook gewoon een gebed zijn. Maar als we het hebben over een trouwdienst, dan hebben we het over het zegenend opleggen van de handen door de dienaar van het Woord, met het uitspreken van een zegenspreuk. Kan dat?
Om die vraag te beantwoorden moeten we terug naar de bijbel. Om welke teksten gaat het. Ik noemde hiervoor het woord uit Genesis ‘man en vrouw schiep Hij hen’, maar voor een afkeuring is die tekst onvoldoende. Over andere relaties dan man en vrouw wordt in het scheppingsverhaal niet gesproken. Wel zie je ook hierin weerspiegeld een stuk verdriet van mensen, die waar het de liefde aangaat gericht zijn op eigen geslacht. Want de schepping vindt voortgang in nageslacht dat verwekt en geboren wordt. En dat is iets dat, via de natuurlijke weg, aan homoseksuele stellen niet gegeven is.
Waar het gaat om bijbelse afkeuring van homoseksualiteit worden altijd minstens twee teksten genoemd, eventueel aangevuld met nog een paar. Ik zal degenen waar het om gaat hier de revue laten passeren.
De eerste is Genesis 19:1-29, over Sodom. Een verschrikkelijk verhaal. Lot, de neef van Abraham, die daar als vreemdeling woont, ontvangt twee mannen, die in werkelijkheid engelen zijn. ‘s Avonds lopen ‘alle mannen van Sodom (…) jong en oud, niemand uitgezonderd’ bij het huis van Lot te hoop, want ze willen die mannen. ‘Breng ze naar buiten, we willen ze nemen!’ Het is een verschrikkelijk verhaal ook hierom, dat Lot hen dan zijn dochters aanbiedt, om zijn gasten te beschermen: ‘Doe met hen wat jullie willen, maar laat die mannen met rust!’ De afloop van het verhaal is dat de engelen ervoor zorgen dat de mannen van Sodom met blindheid geslagen worden, en Lot en zijn familie vluchten; de stad wordt verwoest. Waar gaat dit over? Over een voorgenomen groepsverkrachting van homoseksuele aard. Over liefde en trouw gaat dit allerminst. Dit betekent ook dat het woord ‘sodomie’, als de bijbelse bron recht gedaan wordt, hoogstens gebruikt kan worden voor verkrachting van homoseksuele aard.
De tweede is een tekst die in twee versies is opgenomen in het boek Leviticus. In 18:22 staat ‘Je mag niet het bed delen met een man zoals met een vrouw, dat is gruwelijk’, en in 20:13 ‘Wie met een man het bed deelt als met een vrouw, begaat een gruweldaad. Beiden moeten ter dood gebracht worden en hebben hun dood aan zichzelf te wijten’. Deze noem ik samen met een tekst van Paulus, die we vinden in Romeinen 1:26-27, “De vrouwen hebben de natuurlijk omgang verruild voor de tegennatuurlijke, en ook de mannen hebben de natuurlijke omgang met vrouwen losgelaten en zijn in hartstocht voor elkaar ontbrand. Mannen plegen ontucht met mannen; zo worden ze ervoor gestraft dat ze van God zijn afgedwaald”. Dit zijn in feite de enige teksten die gaan over homoseksualiteit zelf. Ik parkeer ze even, en kom er verderop op terug.
Dan is er Rechters (Richteren) 19:1-30. Dat is een ronduit walgelijk verhaal, dat wel wat zegt over wat er kennelijk kon gebeuren in die oude tijden. Het lijkt op het verhaal van Sodom. Een man haalt zijn vrouw op, die bij hem weggelopen is, en ver weg bij haar vader zit. De weg terug naar huis vangt hij zo laat aan, dat zij onderweg ergens moeten overnachten. De stad Jebus laat hij links liggen. Dat durft hij niet aan, want dat is ‘een stad vol vreemden’. Hij gaat iets langer door tot Gibea, behorend tot een stam van zijn eigen volk: Benjamin. Echter: niemand biedt hen onderdak (zonde tegen de plicht van gastvrijheid). Tot er een oude man is, die zegt: ‘blijf in geen geval op het plein in de nacht’, en hen bij hem in huis welkom heet. Dan echter lopen de mannen van de stad te hoop bij de oude man en eisen zijn gast op: ‘We willen hem nemen!’ Ook deze man biedt net als Lot zijn nog maagdelijke dochter aan de mannen aan, opdat zijn gast gespaard zal blijven. De mannen gaan hier echter niet op in. Dan duwt de gast zelf zijn vrouw naar buiten, die vervolgens de hele nacht verkracht wordt. De volgende morgen, als de man verder wil reizen, zegt hij doodleuk tegen zijn vrouw, die voor de deur blijkt te liggen ‘met haar handen uitgestrekt naar de drempel’: ‘Sta op, we gaan vertrekken’. Ze blijkt te zijn overleden. Ik schrijf dit met tranen in mijn ogen. Het is over dit soort verhalen, dat we het hier hebben! Pure nietsontziende barbarij! En in feite geldt dat voor de teksten uit Leviticus en Romeinen ook. Lees maar eens in wat voor een context die staan. Met liefde en trouw heeft dat alles niets te maken.
Maar eerst nog Paulus in 1 Korintiërs 6:9-10. De kern hieruit: ‘ontuchtplegers noch afgodendienaars, overspeligen, schandknapen noch knapenschenders, dieven noch geldwolven, lasteraars noch uitbuiters zullen deel hebben aan het Koninkrijk van God’. Voor zover dit over homoseksualiteit zou kunnen gaan, is dit bij ‘ontuchtplegers’, waarbij weliswaar niet is aangegeven wat hier onder ontucht wordt verstaan, en met name ‘schandknapen en knapenschenders’, waarbij gedacht moet worden aan homoseksuele pedofilie, vermoedelijk in een setting van tempelprostitutie. Opnieuw: met liefde en trouw heeft dit alles niks te maken.
Tenslotte 1 Timoteüs 1:3-11, maar daar noemt Paulus zo ongeveer hetzelfde rijtje als in de hierboven genoemde tekst, en dat voegt dus niks toe.
Blijven dus Leviticus en Romeinen. Om met de recentste, die van Paulus, te beginnen: leest u het hele stuk eromheen ook (Rom.1:19-32) dan ziet u dat Paulus hier schrijft over een groep mensen, waar hij om tal van redenen grote afkeer van heeft. Ze kennen God, maar danken Hem niet. Ze zijn dwaas, hoewel ze daar zelf anders over denken. Ze aanbidden het vergankelijke in plaats van de onvergankelijke God. Daarom heeft God hen overgeleverd aan zedeloosheid, waarmee ze hun lichaam onteren. Ze bedrijven de liefde op homoseksuele wijze. Ze zijn onrechtvaardig en boosaardig, hebzuchtig en slecht; door en door afgunstig, moordzuchtig en twistziek, doortrapt en kwaadaardig. Ze roddelen en spreken kwaad, haten God, zijn hoogmoedig, trots en verwaand. Vindingrijk in het kwaad, ontzag voor hun ouders tonen ze niet, ze zijn kortzichtig en trouweloos, zonder liefde en onbarmhartig. Andere mensen moedigen ze aan hetzelfde te doen.
Bent u er nog? Het is best mogelijk hierbij ook voor deze tijd associaties te hebben met mensen die in den lijve rondlopen, maar kun je op grond van deze tekst zeggen dat God homoseksualiteit afkeurt? Dit gaat toch over een meest grove en nietsontziende vorm van heidendom? Inderdaad, Paulus noemt ook man-man en vrouw-vrouw tamelijk expliciet, maar hier is veel meer aan de hand. Dit gaat hier over mensen die er op alle terreinen van het leven een totale janboel van maken!
Blijft Leviticus. Dat is letterlijk de enige tekst die blijft. In Leviticus 18 wordt op het gebied van de seksualiteit een heleboel verboden. In de verzen 6-18 worden dertien vormen van incest verboden. Vanaf vers 19 worden verboden: gemeenschap met een vrouw tijdens haar menstruatie; gemeenschap met de vrouw van een ander; het is verboden een van je kinderen te wijden aan Moloch; een man mag niet het bed delen met een man zoals met een vrouw; de geslachtsdaad mag niet worden verricht met een dier - dat alles maakt onrein.
Wat hierbij opvalt is het kinderoffer aan Moloch ineens, dat er voor ons idee als een vreemd element tussen staat. Toch lijkt juist dit zoveel te zeggen over de context van het geheel, opnieuw: het pure heidendom met in dit geval kinderoffers zelfs!
Is het niet inderdaad indrukwekkend wat je krijgt als je de verschillende teksten nauwkeurig gaat bekijken? En gaat het daarbij niet over iets onvergelijkbaar anders dan waar wij het over hebben als twee mensen van hetzelfde geslacht een zo grote liefde voor elkaar hebben opgevat, dat ze samen door het leven willen gaan voortaan, en wel het liefst met de zegen van de Allerhoogste?
Ik wil u ook graag wijzen op een serie uitstekende artikelen die dr G.W. Marchal in de jaren 2002-2003 heeft geschreven in het blad ‘Confessioneel’ van de Confessionele vereniging, te vinden op dit adres: http://www.conf.nl/confessioneel5/071102.htm. Ze zijn getiteld ‘Verbintenis en zegen’ 1 t/m 4. Met name het derde en het vierde artikel raad ik u aan. Waar het gaat om de vraag ‘hoe leggen wij oude teksten uit en hoe passen wij ze toe op onze tijd?’, stelt hij de vraag: “Is het ook niet een vrucht van de Heilige Geest dat er bepaalde ontwikkelingen zijn die een heilzame betekenis hebben en die ons uitdagen om het Woord van God in onze situatie opnieuw te verwoorden?” Dan haalt hij een studie aan uit de kring van de Gereformeerde Bond, getiteld ‘Homoseksualiteit en kerk’, waarin ds A. Kool schrijft: “De Here God openbaart zich niet direct aan alle volken in alle tijden en culturen in een soort Esperanto, een wereldtaal. Nee, Hij gaat verkiezend te werk. Er is een bepaald volk waaraan Hij Zijn woorden toevertrouwd heeft: Israël. Hij spreekt in de taal en de begrippen van dat volk, in een bepaalde tijd en cultuur. Het Woord Gods is geadresseerd en gedateerd. Als het anders was zou de bijbel geheimtaal spreken die gedecodeerd moest worden. Maar er zit voortgang in de geschiedenis. Niet alleen in de heilsgeschiedenis maar ook in de wereldgeschiedenis. De dingen veranderen. Er ontstaan nieuwe begrippen.”
Zelf heb ik dit in een preek eens aldus onder woorden gebracht: wil God verstaan worden, dan moet Hij spreken in de taal van de tijd waarin Hij spreekt. Als God tot Abraham gesproken had op een manier die wij, 21ste-eeuwers moeiteloos kunnen begrijpen, dan zou Abraham zelf er niets mee hebben gekund. Dat doet ertoe, want onze situatie is inderdaad een geheel andere.
Wij willen dus met elkaar in gesprek gaan hierover. In gesprek. Dr. Marchal schrijft ook over dit gesprek goede dingen. Het gevaar ligt op de loer, dat er een debat ontstaat in plaats van een gesprek. Ik citeer: “In een debat nemen mensen stellingen in, verschansen zij zichzelf in een bastion, van waaruit zij elkaar bestoken met argumenten, in de hoop dat de ander uiteindelijk het loodje legt. Er wordt alleen schijnbaar naar elkaar geluisterd en met elkaar gesproken. In werkelijkheid is er telkens een gevechtspauze om opnieuw tot de aanval over te gaan. Het is, naar mijn besef een heilloos avontuur, waarin mensen slijten aan elkaar en elkaar verwonden. In een gesprek proberen we over en weer ons te verplaatsen in de gedachtewereld van de ander, hem of haar van binnen uit te verstaan. Vervolgens gaan we weer terug naar ons eigen plekje. Misschien blijven we dezelfde overtuiging toegedaan, maar intussen is er wel iets gebeurd: we hebben ons laten storen door de ander; zijn/haar gedachten zijn ons niet vreemd meer maar laten we meetellen in onze eigen overwegingen.”
Nog enkele citaten van Marchal wil ik u meegeven. “Wanneer dit onderwerp ter sprake komt, is het van doorslaggevend belang dat we er een gezicht bij zien. Het gaat immers niet om abstracte kwesties, maar om levende mensen. Een eerste vraag zou kunnen zijn: heeft u in uw naaste omgeving ooit contact (gehad) met iemand die op deze wijze in het leven staat en gaat? Zo dit niet het geval is, zou men - om alles heel dichtbij te brengen - zich kunnen indenken: stel dat mijn zoon of dochter homoseksueel of lesbisch is, wat zou ik dan als ouder doen?” En dan stelt hij zich voor, dat zo’n gesprek zich in deze richting ontwikkelt, dat er onderscheid wordt gemaakt tussen aard en praktijk: een mens kan zijn gevoelens hebben, daar kan hij niets aan doen, dat kunnen wij accepteren, maar wat doet hij ermee? Dan citeert Marchal opnieuw Gereformeerde Bonds-dominee (inderdaad, dat schrijf ik er graag bij!) A. Kool: “op deze wijze maakt men van de homofiel een gespleten en verward mens. Waar ligt de grens tussen aard en gedrag? Het moet te denken geven dat dit onderscheid op geen enkel ander terrein in de christelijke ethiek, bij geen enkel ander gebod of verbod wordt toegepast”. En over de vraag naar de toepassing van de beschreven bijbelteksten haalt Marchal bij Kool deze woorden vandaan: “’1. Of men zal de homofilie categorisch moeten afwijzen als zonde, of eventueel als een ziekte met destructieve neigingen, een ziekte die de naaste kwaad doet, zoals bijvoorbeeld pyromanie. Wat dan overblijft is de radicale eis tot bekering en/of de oproep om zich te laten genezen. (…) 2. Of men zal op goede gronden de homofiele mens als zodanig accepteren met althans de mogelijkheid dat hij of zij zich een partner kiest. Een tussenweg is er niet.”
Zelf zou ik de vraag waar wij voor staan beantwoorden met deze nieuwe vraag: Als de kerk een taak heeft in het komen van Gods zegen tot mensen die ervoor kiezen samen een relatie van liefde en trouw aan te gaan, mag de kerk dan weigeren deze taak op zich te nemen als het hierbij gaat om mensen van gelijk geslacht? Wat dichten wij onszelf als kerk in zo’n geval wel niet toe? Daarbij is belangrijk dat we bedenken dat de belangrijkste zegenspreuken gesteld zijn in de aanvoegende wijs. Dus: ‘De HERE zegene en behoede u…’, en dat is wat anders dan ‘zegent’. Het betekent: ‘Moge de HERE u zegenen en behoeden’. Het is, met handoplegging, een gebed! Zo ook bij deze ‘De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u..’. En met de woorden die gesproken worden bij de zegen voor een paar is het niet anders.
Tenslotte. Het kan zijn dat niet iedere lidmaat van onze gemeente dit verhaal van harte kan volgen. Jammer op zich als dat zo is, maar in principe hoeft dat ook niet. We zijn een plurale gemeente. Dat betekent dat (voor mijn tijd al) u als gemeente ervoor gekozen hebt om principieel ruimte te bieden aan elkaar, ook waar u onderling in uw geloofsbeleving en -inhoud op bepaalde punten soms behoorlijk verschillen kunt. Ik hoop vurig dat het gesprek dat wij met elkaar zullen voeren een dergelijke sfeer zal ademen: van ruimte voor elkaar, van luisteren naar elkaar, van respect voor elkaar, over en weer. Dat hoop ik niet alleen, daar bid ik ook om.